DUBBELE INKOMSTENBELASTING MET FRANSE HERKOMST

Dubbele inkomstenbelasting met Franse herkomst: het Hof van Cassatie doet het belastingkrediet herleven uit de overeenkomst tot voorkoming van dubbel belasting!

Eindelijk goed nieuws voor Belgische fiscale inwoners wiens dividenden met Franse herkomst dubbel werden belast. Zij zullen in de toekomst de terugbetaling kunnen verkrijgen van een deel van de belasting die zij in België betaalden in de loop van de voorbije vijf jaren.

De overeenkomst tussen België en Frankrijk van 10 maart 1964 tot voorkoming van dubbel belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen (de Overeenkomst) voorzag vooreerst dat het verdeelde brutobedrag onderworpen werd aan een bronheffing in Frankrijk, die beperkt was tot een percentage van 15%. De resterende 85% werd opgelegd in Belgie, in het algemeen tegen een vast percentage van 30%.

Het staat vast dat artikel 19 van de Overeenkomst in principe aan België oplegt om haar heffing op een forfaitair gedeelte van de buitenlandse belasting te verminderen wanneer deze inkomsten effectief het voorwerp uitmaakten van een bronheffing in Frankrijk, maar "onder de door het Belgisch recht gestelde voorwaarden”. Het Belgisch recht, dat de aanrekening van een belastingkrediet voorzag – het "Forfaitair Gedeelte van Buitenlandse Belasting” (FBB) genoemd – heeft daarentegen een einde gemaakt aan dit fiscaal voordeel sinds 1989 voor natuurlijke personen. Hierop bestond slechts één uitzondering: het zeer uitzonderlijke geval waarin rentegevende kapitaal (d.w.z. de aandelen of delen van Franse vennootschappen) werden gebruikt voor de uitoefening van een professionele activiteit van de begunstigde.

Sinds 1989 bestond er dus een dubbele belasting, die tevergeefs werd bekritiseerd voor het Hof van Justitie van de Europese Unie op basis van het principe van de vrij verkeer van kapitaal.

Echter, in een arrest van 16 juni 2017 heeft het Belgische Hof van Cassatie gesteld dat de Overeenkomsten aan België een forfaitair gedeelte van de buitenlandse belasting oplegt (of ten minste gelijk aan 15% van het nettobedrag van dividenden van Franse oorsprong). Dit staat los van de beperkingen die opgelegd worden door interne wetgeving.

In overeenstemming met het principe van de primauteit van het internationaal recht op het interne Belgische recht verduidelijkt het Hof dat de voorwaarden voor het toekennen van het forfaitair gedeelte van de buitenlandse belasting, die geïntroduceerd zijn door de Belgische wetgever (vanaf 1989), geen voorrang hebben op de overeenkomst. Met andere woorden, dit gedeelte is eveneens van toepassing wanneer de kapitalen die recht geven op de dividenden van Franse afkomst niet voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid van de verkrijger worden gebruikt.

Diegenen die geacht worden fiscale woonplaats in België te hebben waarvan de dividenden van Franse afkomst effectief in Frankrijk een inhouding aan de bron hebben ondergaan en in België belast worden kunnen bijgevolg een ontheffing van extra belasting indienen die werden geïnd tijdens de laatste vijf jaar. De terugbetaling kan oplopen tot iets meer dan 12% van het totale bruto dividend. Wij kunnen uiteraard bijstand bieden in het kader van dergelijke aanvraag.

De voorgaande redenering kan eveneens worden ingeroepen voor interesten van Franse afkomst.

Tot slot zou de beslissing van het Hof van Cassatie eveneens kunnen worden doorgetrokken naar dividenden en interesten geïnd door personen met een fiscale woonplaats in België afkomstig van andere landen die met België overeenkomsten tot het vermijden van dubbele belasting hebben afgesloten, vergelijkbaar met de "Belgisch-Franse”, zoals India en China.

 

Olivier Bertin